Op 1 juli 2011 is de Ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte verschenen. Onder de wervende subtitel ‘Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig’ schetst het Rijk de ambities op het gebied van het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid tot 2040. In de ontwerpvisie is opmerkelijk weinig aandacht voor het Nederlandse cultuurlandschap.
In internationaal opzicht heeft ons land een aantal bijzondere landschapstypen. Het veenweidelandschap, het rivierengebied, de veenkoloniën, de droogmakerijen, het terpen- en wierdengebied: het zijn landschappen die vrijwel geheel tot ons land beperkt zijn en die bijdragen aan de internationale landschappelijke diversiteit. Daarnaast heeft ons land bijzondere kenmerken als de verdedigingslinies, de grote dichtheid aan landgoederen en buitenplaatsen, het watererfgoed en de sprengen en watermolens van de Veluwe. Allemaal zaken die ons land uniek maken, die bijdragen aan het eigene van onze leefomgeving en die veel beter benut kunnen worden als trekpleisters voor buitenlandse bezoekers. Aan deze landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van Nederland wordt in de ontwerpnota grotendeels voorbij gegaan. De verantwoordelijkheid van het Rijk wordt beperkt tot de ecologische hoofdstructuur, de werelderfgoedgebieden, de beschermde stads- en dorpsgezichten, de beschermde monumenten en de wederopbouwgebieden. Voor het overige wordt het landschapsbeleid overgedragen aan de provincies. Ook het beleid ten aanzien van de nationale landschappen.
De twintig nationale landschappen die als zodanig zijn aangewezen in de Nota Ruimte uit 2006 zijn de visitekaartjes van het Nederlandse platteland en geven samen een beeld van de landschappelijke variatie. Voorbeelden zijn de Graafschap, de Veluwe, het Groene Hart en het rivierengebied tussen Waardenburg en Tiel. De status ‘Nationaal Landschap’ hield in dat de Rijksoverheid extra aandacht gaf aan deze gebieden. Er werden extra financiële middelen vrijgemaakt om de kwaliteiten te versterken en ze nog aantrekkelijker te maken voor recreatie. Bij de behandeling van de Nota Ruimte (voorjaar 2006) heeft de Tweede Kamer aangegeven het landschap te willen behouden en te ‘ontwikkelen met kwaliteit’. Dit hield bijvoorbeeld in dat het ja-mits principe werd toegepast, waarbij ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, zolang de kernkwaliteiten worden behouden of verstrekt. Het bouwen van nieuwe woningen voor de eigen bevolkingsgroei was toegestaan, net als uitbreiding van lokale en regionale bedrijvigheid. Grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen als grote nieuwe woonlocaties waren niet mogelijk omdat deze niet verenigbaar zijn met de kernkwaliteiten.
Het overhevelen van het beleid naar de provincies houdt in dat het Rijk zich niet meer verantwoordelijk acht voor het behoud van de landschappelijke diversiteit en de bijzondere landschappen. Tevens wordt de weg geëffend voor verdere aantasting van deze gebieden. De ontwerpnota staat bol van voornemens om de bereikbaarheid te verbeteren en nieuwe woonlocaties te ontwikkelen. Natuurlijk, Nederland moet werken aan de concurrentiepositie, de bereikbaarheid en de veiligheid. Maar laten we niet vergeten dat een aantrekkelijk cultuurlandschap van groot belang is voor de leefbaarheid van onze verstedelijkte samenleving.
Kortom: het waardevolle en internationaal bijzondere Nederlandse landschap is geen linkse hobby, maar een waardevol collectief bezit waar ook het Rijk verantwoordelijk voor is.